Mei 2026 Hier wil ik niet meer naar binnen
Bij de start van deze zorgvraag was het al voelbaar: hier speelde meer dan alleen praktische ondersteuning. Al snel kwamen de eerste signalen,
eerst wekelijks, later bijna dagelijks. „Dit kan echt niet langer zo”, klonk het.
Want wat doe je als je een woning binnenstapt waar vervuiling de boventoon voert? Waar de geur je al in de gang tegemoetkomt? Waar uitwerpselen op de vloer liggen, fruitvliegjes door de ruimte zwermen en het beddengoed zichtbaar vervuild is? Waar een collega
zegt: „Hier wil ik niet meer naar binnen.” Dan wordt het ingewikkeld. Dan schuurt het, professioneel én persoonlijk. Iedereen heeft zijn eigen kijk op persoonlijke hygiëne. Die kijk wordt gevormd door opvoeding, de tijd waarin je opgroeit, met eigen normen en waarden. Zoals ik het zelf zie: ieder mens heeft zijn eigen norm, en dat mag er zijn.
In een dergelijke situatie, met een vervuilde woning waar collega’s niet meer naartoe willen, moet ik als wijkverpleegkundige zorgvuldig balanceren. Luisteren naar het team, hun zorgen serieus nemen. Tegelijkertijd de cliënt blijven zien als mens, niet als probleem. Afwegen, rapporteren en zoeken naar wat wél mogelijk is. Want zorg stopzetten doe je niet zomaar. Daar gaat een proces aan vooraf, veel dossiervorming. We moeten het blijven proberen. Dus hebben we veel gesprekken gevoerd. Ik ging op zoek naar beweging, hoe klein ook. Een eerste stap. Een opening. Maar de client was duidelijk: „Ik wil niets veranderen in mijn huis.” Dat maakt het lastig in de praktijk, want wij kunnen geen actie afdwingen. Cliënten houden te allen tijde de eigen regie.
En daar zit het spanningsveld. Tussen professionele verantwoordelijkheid en persoonlijke autonomie. Daar ligt ook de uitdaging. Tussen wat wij zien als noodzakelijke randvoorwaarden om zorg te kunnen leveren, en wat iemand zelf als acceptabel ervaart. Gesprekken met de
huisarts, GGD, bemoeizorg, de woningbouw, de gemeente en de familie van de cliënt leverden niets op. De cliënt wilde niet meewerken, zag het probleem ook niet in.
Ik moest het hardop uitspreken: er moet iets veranderen, anders is de zorg niet houdbaar. Maar zelfs dat maakte geen indruk. En daar sta je dan. Met een cliënt die geen verandering wil, een team dat over grenzen heengaat en een zorgvraag die je niet zomaar kunt loslaten. In dit geval letterlijk, door de medische urgentie voor zorg. De ervaring leert trouwens dat een zorgvraag die wordt gestopt, in veel gevallen toch weer bij ons terecht komt maar dan complexer, juist doordat wij de zorg beëindigden. In dit geval hebben we uiteindelijk moeten afschalen tot alleen medisch noodzakelijke zorg.
Dit werk gaat zelden over makkelijke antwoorden. Het gaat vaak over het grijze gebied. Over telkens opnieuw de vraag stellen: wat is goede zorg en voor wie?